Geschiedenis
Trouw moet blijken?!
Het motto van ons mooie dispuut is 'trouw moet blijken'. Het dispuut is vernoemd naar de mooie vrouw van de Griekse held Odysseus. Odysseus vocht mee tijdens de Trojaanse oorlog en raakte op de terugreis verdwaald op zee. Terwijl Penelope's echtgenoot al zijn avonturen beleefde, zat Penelope thuis op hem te wachten... Er hadden zich alle vele vrijers om Penelope heen verzameld die stonden te popelen haar te trouwen. Penelope wees ze meerdere malen af, maar daar moesten de vrijers niets van weten. Om ze op afstand te houden, besloot Penelope eerst een rouwkleed te weven. Wanneer deze af was, zou ze een van de vrijers trouwen. Ze sloot zich dag en nacht op in haar kamer en weefde het kleed over het leven van haar grote liefde, Odysseus. Natuurlijk wilde ze niet met een van de vrijers trouwen, dus na een hele dag zwoegen, haalde ze ‘s nachts het kleed weer uit! Zo wist ze de vrijers jaren lang van zich af te houden, tot haar Odysseus weer bij haar terug keerde en de vrijers versloeg!
Hieronder staat het hele verhaal.
“Zingt van de man van de duizend listen, Muze, die zoveel rondzwierf, nadat hij de heilige stad van Troje verwoest had” Zo luidt de eerste regel van het prooimon, het openingsstuk, van de Odyssee. Dit boek is het vervolg op de Ilias, dat ons verteld over de Trojaanse oorlog. Beide boeken zijn geschreven door Homerus, een schrijver die al bijna even mythisch is als de mensen en goden die we in zijn verhalen leren kennen.
De Ilias bestaat uit zestienduizend verzen die de lezer vertellen over eenenvijftig dagen uit de oorlog van de Grieken tegen Troje. Uit andere verhalen weten we dat het eigenlijk om een ruzie ging tussen de Griekse Menelaos en de Trojaanse Paris, die er met Menelaos’ vrouw Helena vandoor gegaan was. Dit kwam niet voort uit de onweerstaanbare charmes die Paris op de schoonste vrouw van de wereld wist te projecteren. Nee, de ruzie vond haar wortels op een feestje ter ere van het huwelijk van de sterveling Peleus en de zeenimf Thetis. Alle goden, godinnen en mensen met enig aanzien waren op dat feestje uitgenodigd, op één na. De godin van de twist, Eris, was niet welkom en zoals we gezien hebben bij Doornroosje, is dat nooit een verstandige keuze. Hier wederom niet. Op het hoogtepunt van de feestelijkheden gooit Eris een appel met daarop ‘voor de mooiste’ in de menigte. Drie godinnen strijden om de eer: Hera, de echtegenote van de oppergod Zeus, Athena, de godin van de wijsheid, en Aphrodite, de godin van de liefde. Omdat Zeus niet kan, en eigenlijk ook niet wil kiezen, wijst hij Paris aan, een jonge Trojaanse prins, om die godin te kiezen die de mooiste is: het Paris-oordeel. Alledrie de godinnen proberen Paris om te kopen: Hera belooft hem oneindig veel macht, Athena zal hem de wijste man op aarde maken en Aphrodite probeert hem te verleiden met de mooiste vrouw ter wereld. Aan haar kent Paris tenslotte de appel toe. En op die manier krijgt hij Helena voor zich gewonnen. Helena was echter getrouwd met de Griekse Menelaos, die een grote geluk had, dat de machtige Agamemnon zijn broer was. Deze zag het als een persoonlijke belediging dat een of andere Trojaan Helena had geschaakt en riep alle Griekse mannen op om ten oorlog te trekken. Zo ook de koning van Ithaka, Odysseus. Deze was echter net getrouwd en hij en zijn vrouw Penelope hadden een klein zoontje gekregen: Telemachos. Hij had natuurlijk helemaal geen zin om voor iemand’s anders geliefde zijn eigen vrouw in de steek te laten en deed dan ook alles om eronder uit te komen. Zonder enig effect. Hij en zijn makkers vertrokken met de andere schepen richting Troje. Een lange strijd volgt en uiteindelijk weten de Grieken dankzij een list van Odysseus te winnen. De koning kan weer naar huis en naar zijn geliefden.
In de Odyssee, het boek dat volgt op de Ilias, kunnen we de tocht die hij naar huis aflegt, volgen. Deze verloopt echter niet zonder de bekende kleerscheuren. Dankzij een grove belediging aan het adres van zeegod Poseidon – hij doorboort het oog van Poseidons’ eenogige zoon Polyfemos - belandt Odysseus op de meest obscure eilanden. Hij vecht met menseneters, raakt bij de Lotuseters bijna aan de drugs en zijn makkers eten de runderen van de Zonnegod op. De terugkeer loopt uit op een drama. De grootste beproevingen komen echter van twee beeldschone vrouwen die Odysseus proberen te verleiden. Beproevingen die hij niet geheel weet te doorstaan.
De godin Kirke woont op het eiland Aie. Als Odysseus daar met zijn vrienden belandt, probeert de godin hen te veranderen in varkens, leeuwen en wolven. Dankzij Hermes, boodschapper van de goden, ontkomt Penelope’s man aan de toverkunsten, doordat hij een mysterieus kruid eet. Kirke valt voor de beschermeling van de goden en biedt hem haar liefde aan. Op voorwaarde dat de godin de betovering van zijn makkers ongedaan maakt, deelt Odysseus met Kirke het bed. Na het bedrijven van de liefde, maakt de Godin alle mannen weer menselijk en richt ze een feestmaal aan. Vervolgens verblijven Odysseus en zijn metgezellen een jaar lang in het huis van Kirke. Nu hij zo ver van zijn geliefde vrouw is, kan Odysseus de verleiding niet weerstaan, en elke nacht betreedt hij het bed van de Godin.
“Odysseus zelf sloop elke avond naar Kirke. Bij het zachte schijnsel van een toorts luisterde hij naar haar zoete gefluister, streelde haar beeldschone lichaam en onderging de verrukking van de liefde” Uiteindelijk is het niet de gedachte aan zijn lieve Penelope die Odysseus tot vertrek aanspoort, maar de smeekbedes van zijn mannen. Hij verlaat Aie en de godin dan ook met pijn in het hart.
Odysseus wordt nog steeds door de goden getart en belandt met zijn vrienden in een hevige storm. Hoe zeer ze zich ook verzetten, van de goden kunnen ze niet winnen en het schip vergaat. Odysseus is de enige die het overleefd en hij spoelt aan op het eiland Ogygia. Daar woont Kalypso, de godin met de mooie vlechten. Ze verzorgt zijn wonden en geeft hem te eten. De godin wil Odysseus het liefst onsterfelijk maken en de eeuwige jeugd geven, zodat hij voor altijd bij haar blijft. Als elke sterfelijke man valt Odysseus wederom voor de charmes van de godin met haar bekoorlijke lichaam. Hij brengt acht jaren op Ogygia door, maar zelfs de godin doet hem zijn Penelope niet vergeten. Odysseus heeft echter geen vrienden meer over die hem tot vertrek aansporen, en het zijn de goden die uiteindelijk een einde maken aan de (min of meer vrijwillige) gijzeling door Kalypso. Met haar hulp maakt hij een vlot om huiswaarts te varen en de godin laat hem met een zwaar gemoed gaan.
Penelope was ondertussen Odysseus nog steeds trouw gebleven, maar dit werd haar wel moeilijk gemaakt. Van heinde en verre waren allemaal prinsen en vorsten naar haar paleis gestroomd in de hoop dat ze met haar mochten trouwen. De gelukkige man zou dan immers Penelope als vrouw krijgen en daarbij koning worden van het eiland Ithaka, ook niet verkeerd. Menig vrouw in deze positie zou toegeven aan de verleiding die geboden werd, maar de koningin van Ithaka trok zich weinig aan van alle mannen op het Temtation Island. De kerels gedroegen zich namelijk nogal onbeschoft door de gehele voedselvoorraad op te eten en zich door al de aanwezige drank heen te drinken. Ze gokten en beledigden het personeel; kortom, ze maakten er een bende van. Penelope voelde zich vreselijk machteloos, want de mannen in haar leven konden haar niet bevrijden van haar aanbidders. Haar schoonvader was zo oud geworden dat hij zich op zijn eigen land had terug getrokken, haar zoon Telemachos was met zijn twintig jaren nog te jong om het bezit van zijn vader op te eisen, en haar man? Daar was ondertussen nog steeds niets van vernomen. Men dacht dat hij dood gegaan zou zijn op zee en niemand verwachtte hem ooit nog terug te zien.
Dagelijks piekert zij:
‘Waar blijft Odysseus toch?
Twintig jaar weg-
Dat is nier meer gewoon
Is hij soms af van dat
Vaderlandminnende?
Denkt hij dan niet
Aan zijn vrouw en zijn zoon?
De naam van Odysseus werd altijd in een adem genoemd met de listigheid, waar hij zo om bekend stond, maar daarin was hij niet de enige. Zijn vrouw kon er namelijk ook wat van! Toen de druk van de vrijers te groot werd, deed ze hem een belofte. Ze zou een rouwkleed weven voor haar schoonvader die inmiddels overleden was en wanneer deze af zou zijn, wilde ze met een van de mannen trouwen. Omdat ze echter nog steeds helemaal geen zin had om een van de vrijers te huwen, haalde ze ’s nachts het weefsel uit wat ze overdag had geweven.
Dit hield ze een tijdlang vol tot een van haar slavinnen haar verraadde. Nu moest ze het kleed wel afmaken.
Nu weer Penelope:
Haar sabotagewerk
Is door een paar dienaressen
Verklapt
En de bandieten zijn
Apopexiewekkend
Nijdig, omdat
Ze erin zijn getrapt
Basta! Geen uitstel meer
P. moet een man kiezen
‘Goed dan; ik heb meneer X
Op het oog –
Namelijk hij die als
Onevenaarbaarste
Om weet te gaan
Met Odysseus zijn boog’
‘Boogschieten? Boogschieten?
Daar moet wel plaats voor zijn!
Is hier een ruimte
Die daaraan voldoet?’
‘Zeker: daarginds in de
Evenementenhal
Kan het – geheel regulair
Zoals ’t moet’
Terwijl ze het evenement organiseerde, wist Penelope niet dat haar man nog leefde. Sterker nog, dankzij de hulp van de Faiaken, de bewoners van het laatste eiland dat hij bezocht, was hij gezond en wel op Ithaka aangekomen. Hij was zich echter bewust van de aanwezigheid van tientallen concurrenten en de gevolgen die dat met zich mee kon brengen (wanneer de mannen Odysseus zouden ontdekken, werd dit vast en zeker zijn dood). De koning verkleedde zich als zwerver en lichtte zijn zoon en enkele vertrouwelingen in. Met diens hulp sloop hij het paleis in en sloeg de zich misdragende vrijers gade. Toen zijn vrouw de wedstrijd organiseerde en alle mannen faalden, besloot hij zich kenbaar te maken en spande hij de boog als een god gelijk. Met hulp van Athene wist hij het gevecht tegen alle vrijers te winnen en samen met zijn vertrouwelingen slachtten hij ze een voor een af.
Na het gevecht riep hij zijn vrouw bij zich, die zich echter zeer koel opstelde. In plaats van een vurige omhelzing die een romantisch wederzien zou moeten kenmerken, bleef zij koeltjes op een bank bij het vuur zitten. Haar zoon die dit alles zag werd woedend.
Telemachos snauwde geërgerd over haar houding: ‘Moeder. Je bent mijn moeder niet meer! Wat ben jij hardvochtig! Waarom blijf je angstvallig uit de buurt van mijn vader? Waarom praat je niet tegen hem, waarom stel je geen vragen? Want niet één vrouw zou zo koel op een afstand blijven, als haar man in het twintigste jaar in zijn eigen land kwam na veel pijn en moeite. Je hart is van steen, nee nog harder.’
Maar zij zei tegen hem, de verstandige Penelopeia:
‘Kind, ik ben te veel in de war, ik weet niets te zeggen of te vragen. Ik kan hem niet eens recht aankijken. Als hij echt en waarachtig Odysseus is die thuis is gekomen, kun je er zeker van zijn dat wij elkaar herkennen, want er zijn dingen die wij alleen weten en niemand anders.’ En de held Odysseus, die veel heeft moeten verduren, gaf met een glimlach vleugels aan de volgende woorden: ‘Ach Telemachos, laat je moeder me maar verhoren hier in de zaal, ze zal me gauw genoeg leren kennen. Nu ik vuil ben en smerige vodden draag, kent ze me niet meer, en maakt ze zich wijs da ik niet dezelfde man ben.’
‘Raadselachtige man! Dat kan ik ook wel zeggen! En ik doe toch niet neerbuigend, of oneerbiedig? Eigenlijk ben ik niet eens zo bijzonder verbaasd. Alleen, ik weet nog zo goed hoe jee was, toen je afscheid nam en vertrok van Ithaka op je sierlijke schip met de lange riemen… Kom vooruit Eurykleia, maakt het stevige bed klaar in de kamer die hij zelf nog zo mooi heeft gebouwd, schuif daar het zwarte bed weer heen en maak het op met vachten en wollen dekens en bont gekleurde spreien,’ zei ze om haar man te testen. Odysseus werd heftig en hij riep geërgerd zijn trouwe, behoedzame vrouw toe: ‘Werkelijk vrouw, je weet me tot in mijn ziel te grieven! Wie heeft mijn bed dan verzet, dat ging toch echt niet zo maar! Niet eens een vakman had het zo maar gered, of een God had moeten helpen, een God kan natuurlijk álles verzetten. Maar geen sterveling, ook niet een man in de kracht van zijn leven, had dat karwei kunnen klaren, omdat het kunstig bewerkte bed op een heel speciale, geheime manier in elkaar zat. Ik heb het zelf gemaakt en niemand heeft mij geholpen. Hier op het erf stond een weelderig bloeiende, grote olijfboom vol met lange bladeren en zo dik als een zuil, om die boom heb ik mijn slaapkamer uitgemeten, ik bouwde hem met passende stenen, maakte een deugdelijk dak en sloot hem af met stevige deuren, die keurig pasten. En ik kapte de dichte bladerkroon van de olijf weg. Met mijn bronzen bijl sloeg ik de stam vakkundig vanaf de wortels glad en ook haaks met behulp van het schietlood. Deze stronk werd de basis van mijn bed, het voetstuk, waar ik met de boor de nodige gaten in boorde. En van daaruit schaafde ik tot ik de bodem klaar had, die ik versierde met goud en zilver en met ivoor en later bespande met riemen van purperglanzend rundleer. Wat ik nu zeg, was ons geheim! Maar ik weet niet zeker of ons bed nog op zijn plaats staat, vrouw, of dat een andere man het eventueel al heeft kunnen verzetten, door eerst de stam van de boom aan de basis door te zagen,’zei hij.
En juist deze woorden zorgden ervoor dat Penelope al haar reserves liet varen en Odysseus omhelsde. Alleen hij wist hun bedgeheimen en ze wist het zeker. Aan haar eenzame wachten was een eind gekomen. Odysseus was thuisgekomen.
Homeros’ Odyssee; vertaald door Bertus Aafjes, Amsterdam 1965
Hoe zoet was t weerzien voor Penelope;
Hoe zoet was haar de aanblik van haar man.
Zij kon geen ogenblik haar blanke armen
Losmaken van zijn hals. De Dageraad
Zou hen gevonden hebben in die houding,
Had fonkelogige Athene niet
De nacht vertraagd die d’aard alom bedekt;
Had zij Aurora ’t voortgaan niet belet
Aan d’oevers van de grote Oceaan,
Had zij haar niet verboden om de paarden,
De snelle, in te spannen voor haar wagen
Waarmee zij t ochtendlicht brengt aan de mens.
Zie, ondertussen legden Eurykleia,
De oude voedster en Eurynome
Bij t toortslicht zachte dekens op het bed.
En toen zij ’t bed met zorg hadden gedekt,
Keerde de voedster naar haar eigen kamer;
Eurynome bracht eerst nog met een toorts
Odysseus en Penelope op weg
Naar ’t wachtend ledikant –toen ging ook zij.
Met welk een vreugde legden zij zich beiden
In ’t oude bed, dan eens –hoe land geleden-
De sponde van hun liefde was geweest.
De zwijnenhoeder en de koeienherder
En ook Telemachos staakten het dansen;
Zij vroegen ook de vrouwen op te houden.
De mannen gingen nu naar ’t megaron
En legden in het donker zich te ruste.
Odysseus echter en Penelope
Gaven zich over in elkanders armen
Aan het verrukkelijke spel der liefde.
Wat een bedoening, hè?
Kon u het bijhouden?
Hopelijk gaf de lectuur
U plezier
Rust nu maar uit, want het
Eeuwigheidswaardige
Dichtwerk genaam Odyssee
Eindigt hier
(Wat ik nog zeggen wou:
Dit is niet echt gebeurd
Neemt u de mythologie
Maar voor lief
Of voelt u meer voor de
Peloponnesische
Oorlog? Ook mooi hoor
En niet zo fictief)
Toon Tellegen Gedichten 1977-1999
Odysseus
Ik ben een schipbreukeling
en dit is de zee
die ik vrees.
Het reusachtige oog boven mij is bewogen,
tot tranen toe,
over de aard van het bestaan.
Mij gaan alleen mijn makkers en een strand wat aan,
en later misschien nog een vrouw, dat weet ik niet,
en een zoon.
En langzaam verdampt de zee
en word ik een held
en daarna een verzinsel.
Ik ben het mikpunt van een vreemde achterdocht,
tenzij ik nu beslis
en plotseling verdrink.
Penelope
Als je het nu nog niet weet
en je schijnt het nog altijd niet te weten:
ik ben hier, in een hoek van de kamer,
die met het uitzicht op zee.
Ik wacht op jou.
Als je komt
en je schijnt spoedig te komen,
dan zal je je verbazen: zoveel vliegen om mij heen.
Ik ben iets aan het weven, voor jou, voor jou alleen.
Het is bijna af.
Als je dan tenslotte…
maar heb nog even geduld
of weet jij niet wat dat is?
Ik kom er aan, ik moet mijn ogen nog doen,
en mijn mond. Voor jou.
Ik ben niet veranderd in een dag of twee
of had jij dat gedacht?
Literatuurlijst
De Odyssee, Drs P. Amsterdam 2002, Nijgh & Van Ditmar
Ilias en Odyssea, Homeros, vertaald door Frans van Oldenburg. Ermke 1959.
Homeros’ Odyssee. Vertaald door Bertus Aafjes. Amsterdam 1965, Meulenhoff bv
De reizen van Odysseus, vertaald door Imme Dros. Amsterdam 1992, Querido’s uitgeverij b.v.
